Lintwormen. Besmetting kan alleen plaats vinden door contact met een tussengastheer. Ook mensen kunnen besmet raken.
De honden lintworm ,Dipylidium caninum. Besmetting geschiedt door het opeten van besmette vlooien. De via de slokdarm binnengekomen eitjes ontwikkelen zich in 2-4 weken tot volwassen wormen die 3 jaar kunnen overleven. Bij honden geeft dit doorgaans weinig ernstige problemen. De uitgescheiden proglottiden veroorzaken jeuk rond de anus waardoor de besmette hond hetz.g.‘sleetje rijden’ laat zien. Alleen bij jonge en ondervoede dieren kan bij zware infectie vermagering op treden. Ook verstopping van de darm komt voor.
Taenia soorten. Door het eten van slachtafval door b.v. Jachthonden, vindt soms besmetting plaats. Een goede vleeskeuring heeft tegenwoordig het voorkomen van deze wormen zeldzaam gemaakt.
Echinococcus soorten, bijvoorbeeld de E. granulosus en de E.multilocularis.
De E. granulosus, heeft schapen en runderen als tussengastheer en komt vrijwel niet meer in Nederland voor vanwege goede slachthuiscontroles en het feit dat er geen slachtafval meer aan honden gevoerd wordt.
Bijzondere aandacht dient besteed te worden aan
De E. Multilocularis ,de vossenlintworm genoemd. Hij rukt op naar Nederland. In Duitsland en België zijn al veel vossen positief bevonden. In Nederland werden besmette vossen in Limburg en Groningen aangetroffen. De mens kan zich besmetten via het eten van bosvruchten of door het contact met hond en kat die de parasiet opnamen door het eten van b.v. besmette muizen of in aanraking kwamen met een besmette vos. Contact met dode vossen en hun uitwerpselen, levert tevens gevaar op. Jagers en boswachters lopen dan ook meer risico. (Meer informatie op deze site onder “vossenlintworm”).